Verspilling maakt terugverdientijd onzeker

André BuskopEnergieverspilling

Bij investeringen in producten die het energieverbruik verminderen speelt de terugverdientijd een belangrijke rol. Niet zelden wordt deze heel nauwkeurig vastgesteld en met meer dan twee cijfers achter de komma berekend. Dit kun je met een complexe functie in Excel berekenen, maar gewoon een lineaire afschrijving voldoet wat mij betreft ook. Welke berekeningsmethode je ook hanteert, de enige echte factor die ertoe doet is de netto besparing die de investering oplevert. Die netto besparing is alleen niet zo makkelijk vast te stellen. Fabrikanten en leveranciers van energiebesparende producten willen daar wel bij helpen, zij weten dat precies. De autofabrikanten weten ook wat het verbruik van hun auto is. Maar wanneer je echt wilt weten wat deze verbruikt, moet je op het internet naar één van de vele beschikbare websites, bijvoorbeeld van de ANWB. Daar kun je lezen dat het werkelijke verbruik tot wel 40% hoger ligt dan het opgegeven verbruik. Of dat nu bij energiebesparende producten ook zo fors is, zou ik niet durven beweren, maar ik heb wel de ervaring dat besparingen in de praktijk meestal tegenvallen.

Een besparing heeft een relatie met het werkelijke verbruik: wanneer er een laag verbruik is, kan er minder worden bespaard dan wanneer er een hoog verbruik is. Sommige besparingsmaatregelen beïnvloeden elkaar. Bijvoorbeeld wanneer een gebouw zodanig geïsoleerd is dat er nog nauwelijks verwarming nodig is, zal de efficiëntie van de opwekking (bijvoorbeeld een warmtepomp) er minder toe doen. En wanneer de energie van een ”gratis” bron komt, is er geen terugverdienpotentie meer voor isolatie of warmteterugwinning.

Maar hoe kan verspilling nou een rol spelen bij de terugverdientijd? In elk gebouw wordt energie verspild. Uit een recent onderzoek is gebleken dat maar liefst 70% van de gebouwen met een label C of beter qua energieverbruik slechter presteert dan dat je op basis van hun label zou mogen verwachten. Dit hogere verbruik is onnodig, maar heeft onterecht een positieve invloed in de berekening van de terugverdientijd. Dit klinkt onlogisch, maar in de praktijk werkt dat wel zo. Immers, hoe hoger het verbruik, hoe hoger de besparing.

Ook wordt weleens, wanneer het verbruik niet bekend is, uitgegaan van een gemiddeld verbruik. Zo hebben wij een keer een energiezuinige klimaatinstallatie voor een dataruimte nagemeten, die volgens de leverancier een terugverdientijd had van 1,7 jaar. De berekening van die terugverdientijd was echter gebaseerd op een gemiddeld verbruik per m2. Bij een meting bleek het werkelijke verbruik veel lager, waardoor de terugverdientijd veel hoger uitviel en opliep naar meer dan 7 jaar.

Bij investeringen in energiebesparende maatregelen is het dus heel verstandig om het besparingspotentieel vooraf goed te controleren en zowel vooraf als achteraf het verbruik te meten. Maar denk er vooral aan om door middel van monitoring eerst onnodig verbruik op te sporen en te elimineren. Anders maakt de besparingsmaatregel goede sier met de verspilling in het gebouw.